Puur economisch bijgeloof

Er was eens een beroemde voetballer. Hij was erg bijgelovig. Hij kon alleen maar spelen op sandalen. Anders zou het mis gaan. Hij had allemaal zweren en blessures, en hij werd nogal uitgelachen door de andere spelers, maar dat had hij niet zo in de gaten. Op een dag stal een fan vlak voor de wedstrijd zijn sandalen uit de kleedkamer.

Even was hij wanhopig. Reservesandalen had hij niet. Er zat niks anders op: hij moest spelen in gewone, hi-tech voetbalschoenen. Werd de wedstrijd een drama? Integendeel. Hij speelde beter dan ooit, scoorde vijf keer en hielp het team aan de Europacup. Noodgedwongen had hij ontdekt dat hij zijn bijgeloof niet nodig had – dat het zelfs tegen hem werkte.

‘Geen keus’
Wat heeft dit met de economie te maken? De afgelopen jaren hebben we, en dat zal de komende jaren doorgaan, elke keer weer kunnen horen dat het geld op is. Dat we moeten bezuinigen. Dat het budget vanuit de rijksoverheid richting de gemeenten weer is verlaagd. Dat de BTW en andere belastingen omhoog gaan. En dat dat allemaal heel erg jammer is, maar dat we geen keus hebben. Daarom moeten bibliotheken en buurthuizen sluiten, wordt er bezuinigd op orkesten en musea, worden thuiszorgmedewerkers uitgeknepen, gaan de huren omhoog en zullen de komende vier jaar nog meer bezuinigingen en belastingverhogingen worden aangekondigd. Steeds meer mensen vallen onder de armoedegrens.

Is het geld op? Hebben we echt geen keus? Is de enige functie van linkse politiek de keuze tussen de ene bezuiniging en de andere? Of is dit een voorbeeld van puur bijgeloof? Voor het antwoord nemen we een duik in de macro-economie.

Geldcreatie
Heel in het kort heeft een soevereine staat die een eigen munt voert (en niet belooft de eigen munt in te wisselen voor goud of andere valuta) geen enkele natuurlijke beperking bij het kunnen uitgeven van geld. De overheid creëert nieuw geld op het moment dat ze investeert in de economie. Dat wil zeggen: de overheid kan nooit te weinig geld hebben. De staat schept geld door het typen van getallen op een toetsenbord, en vernietigt geld door het heffen van belastingen. Daar hoeft de overheid niemand rente voor te betalen. De Verenigde Staten, Japan, Turkije en het Verenigd Koninkrijk zijn voorbeelden van de vele staten met een soevereine, niet-inwisselbare munt (niet gekoppeld aan goud of een andere munt). Dit systeem bestaat wereldwijd sinds 1971, toen de Verenigde Staten ophield met het verkopen van goud voor dollars. (Euroland, waarover straks, is een verhaal op zich).

Bijgeloof
Maar wacht even: als de overheid onbeperkt geld kan scheppen en in de economie kan investeren, krijg je dan geen enorme inflatie (waarbij het geld steeds minder waard wordt)? Is het niet logisch dat er strenge beperkingen zijn aan het budget van de overheid? De staat moet toch belastingen heffen en geld lenen op ‘de financiële markten’ voordat ze geld kan uitgeven? Is de overheid niet net als een huishouden of een bedrijf?

Begrotingstekort
Integendeel, dat is allemaal economisch bijgeloof. Een bedrijf of huishouden moet inderdaad zorgen dat ze niet meer uitgeeft dan er binnenkomt. Maar de overheid moet juist zorgen dat ze meer geld uitgeeft (o.a. aan investeringen in de publieke sector) dan dat er binnenkomt (aan belastingen, heffingen, enz.)! De overheid moet dus bijna altijd een begrotingstekort hebben. Anders kan er niet voldoende werkgelegenheid zijn, kan de infrastructuur geen hoge kwaliteit hebben, en kan de levensstandaard geen hoog peil bereiken.

Overschot
Als je de hele economie bij elkaar optelt (overheid en niet-overheid), en je trekt alle schulden van alle spaargelden af, dan moet je uitkomen op nul. De schuld van de één is het vermogen van de ander. Alle contanten zijn (renteloze) schulden van de staat, en ook alle bedragen op bankrekeningen zijn schulden (aan de bank of van de bank, rentedragend of rentevrij). Als de overheid een tekort voert, hebben wij een overschot. Als de overheid een overschot voert, hebben wij een tekort. Wat heeft u liever, een tekort of een overschot? Juist: burgers en bedrijven hebben liever een overschot! Daarom moet de overheid een tekort hebben.

Het geld van de staat kan nooit opraken: de staat creëert rentevrij geld terwijl ze investeert. De overheid heeft geen geld, de overheid creëert geld. Burgers en bedrijven, aan de andere kant, moeten meer rentedragende schulden aangaan wanneer de overheid langdurig overschotten heeft. Anders gaan ze failliet. Maar door die rentedragende schulden krimpt de economie op den duur, en vindt een opwaartse verdeling van geld plaats.
Kunt u het volgen? Maar waar zijn de belastingen dan voor nodig? Kunnen we de belastingdienst niet opheffen? Waarom bestaat er een staatsschuld? Hebben de VS en Japan bijvoorbeeld geen enorme staatsschuld? Een duidelijk bewijs dat de VS en Japan geld moeten lenen voor ze het kunnen uitgeven!

Staatsschuld is niet nodig
Het tegenovergestelde is waar. Een overheid hoeft geen (rentedragende) staatsschuld te hebben. Het is een politieke keuze. Door het uitgeven van obligaties (schuldpapieren) kan de staat bijvoorbeeld rente betalen aan pensioenfondsen, die daarmee een kapitaal opbouwen om pensioenen uit te keren. Maar een staatsschuld kan alleen maar bestaan als de overheid eerst geld in de maatschappij heeft gestopt: als burgers en bedrijven geen geld op hun rekening hebben (die bankreserves vormen) hebben banken en pensioenfondsen helemaal geen geld om staatsschuldpapier te kopen! De VS en Japan kunnen nooit geld tekort komen om de rente over hun staatsschuld te betalen. Het is ook niet de geldmarkt die de rentevoet over die staatsschuld bepalen, maar de staat zelf (het ministerie van financiën en de centrale bank). Het uitgeven van schuldpapier door de staat is een traditie en een politieke keuze, nooit een financiële noodzaak.

Belastingen verlenen waarde aan het geld
Belastingen zijn niet nodig voor het kunnen financieren van de uitgaven van de staat. Toch hebben ze een essentiële functie. Burgers en bedrijven weten dat ze hun belastingen moeten betalen in de officiële nationale valuta. Daarom accepteren zij die munt als betaalmiddel – ze hebben hem nodig. De functie van belastingen is dus het verlenen van waarde aan de munt.

Er is een tweede functie. Stel dat de economie op volle toeren draait. De werkloosheid is opgelost. Bedrijven hebben grote moeite hun vacatures in te vullen. De economie raakt oververhit. Het is dan een goed idee om de belastingen te verhogen. De staat snijdt zo koopkracht weg. De economie kan tot bedaren komen, om inflatie te voorkomen. Inflatie is bij volledige werkgelegenheid immers wel voorstelbaar.

Een derde functie is inkomenspolitiek en het belonen of ontmoedigen van gewenst of ongewenst economisch gedrag. Bijvoorbeeld door hoge belastingen op winst uit olie- en gaswinning, en lage belastingen op winst uit de productie van windmolens en zonnepanelen. Dat zijn politieke keuzes.

Inflatie als boeman
Inflatie: het schrikbeeld dat u bang moet maken. Als de overheid zomaar geld kan uitgeven, zonder te streven naar een balans op de begroting, leidt dat niet per definitie tot inflatie? Zodat we met kruiwagens vol euro’s naar de bakker en de drogist moeten? In Duitsland (de Weimar-Republiek) en Zimbabwe (onder Mugabe) hebben we toch dramatische voorbeelden gezien van het aanzetten van ´de geldpers´! Toch hebben de Weimar-Republiek en Zimbabwe niets te maken met teveel investeren door de overheid in de economie.

In Zimbabwe werd nauwelijks of geen belasting meer geheven. Niemand zag nog de noodzaak om de Zimbabwaanse munt te gebruiken. Zimbabwe had onbetaalbare schulden in buitenlandse valuta. Inderdaad, als de staat probeert grote hoeveelheden buitenlandse valuta aan te kopen, keldert de waarde van de eigen munt tegenover andere munten (de wisselkoers). Importen worden onbetaalbaar; hyperinflatie is het gevolg.

Datzelfde gebeurde in Weimar-Duitsland. Nadat het Duitse Keizerrijk de verliezer van de Eerste Wereldoorlog werd, legden o.a. het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk het enorme schulden op. Voor de rentebetalingen was Duitsland gedwongen grote hoeveelheden buitenlandse valuta en goud te kopen, zodat uiteraard de wisselkoers van de Duitse mark instortte – met hyperinflatie als gevolg. Zodra de Duitse staat stopte met het kopen van goud en buitenlandse valuta kwam er een eind aan de hyperinflatie.

‘Het geld is op’
Dit is allemaal kennis die door de meeste verstandige economen wordt gedeeld. Maar als het geld nooit op kan zijn (omdat een zelfstandige overheid met een soevereine, niet-inwisselbare munt nooit een tekort aan getallen op het beeldscherm kan krijgen), waarom horen we dan altijd dat het geld op is? Ook in de VS hameren politici om het hardst dat het geld op is, dat de sociale zekerheid onbetaalbaar wordt, en dat ‘pijnlijke bezuinigingen’ noodzakelijk zijn om het land van de financiële ondergang te redden. President Obama heeft gezegd dat het geld op is. Maar het is bijgeloof.

Voor een groot deel geloven de gekozen politici wat ze zeggen. Maar ook als ze het niet geloven is het een uitgelezen kans om een radicaal rechtse, neoliberale agenda door te voeren. Want wat moeten burgers doen als ze denken dat het geld op is? Het is dan veel moeilijker om verontwaardigd de straat op te gaan. De ´pijnlijke maatregelen´ worden zo veel braver geslikt. Een kind dat denkt dat de koekjes op zijn gedraagt zich anders dan een kind dat weet dat er tientallen koekjes in de trommel zitten.

De euro: een vreemde monetaire eend
Nu u een indruk heeft van hoe een soevereine munt werkt, kunnen we naar Europa. De Europese Monetaire Unie (Euroland) is een hele vreemde eend in de bijt. In het kort hebben de lidstaten die de euro hebben ingevoerd vrijwillig afstand gedaan van de mogelijkheid om geld te scheppen. Nederland en de andere staten in Euroland hebben zich afhankelijk gemaakt van belastinginkomsten en leningen op de kapitaalmarkt.

We kunnen niet meer ongestraft een tekort voeren, en we moeten voor onze staatsobligaties de rente betalen die de markt dicteert. Nederland en de andere EMU-lidstaten zijn nu vergelijkbaar met Amerikaanse staten, zoals Florida of Illinois. Maar de Verenigde Staten hebben een ministerie van financiën en een centrale bank die in principe zijn onderworpen aan de volksvertegenwoordiging. De federale staat (in Washington) kan – als ze het maar wil – altijd financieren wat de staten nodig hebben. Of dat ook gebeurt is een kwestie van politieke wil.

Afhankelijk van de banken
De Europese Centrale Bank (ECB) daarentegen is officieel onafhankelijk van de politiek. Wat betekent dat? In de praktijk is de ECB afhankelijk van de banken. Euro-lidstaten moeten de ECB smeken om hun staatsschuld op te kopen, als de rente die de markt dicteert door het dak gaat. Het is de vraag of de ECB dat steeds gaat doen. De (ooit soevereine) staten die de nu de euro hebben ingevoerd zijn nu totaal afhankelijk van het humeur van een klein, ondemocratisch clubje in Frankfurt am Main. We hebben niet het equivalent van het Amerikaanse ministerie van financiën, dat de afgelopen jaren (via de centrale bank) duizenden miljarden dollars op zijn toetsenborden tevoorschijn toverde en in de banken pompte. Dat de bestemming van al dat geld verkeerd is, is een politieke kwestie. Hetzelfde bedrag zou de overheid kunnen investeren in het onderwijs, de gezondheidszorg, het milieu, duurzame energie, de werkgelegenheid en de infrastructuur.

Experiment
De EMU is dus een tamelijk rampzalig monetair experiment. Maar voor de financiële sector is het een droom die is uitgekomen. Want een overheid die geen rentevrij geld kan scheppen, moet steeds een beroep doen op die financiële sector. Ondertussen zakken de Europese economieën steeds verder weg, en dat landen als Duitsland en Nederland er relatief nog redelijk voor staan komt doordat zij netto exporteurs zijn – niet door ‘degelijk financieel beleid’ of een grotere ‘discipline’. Aardig, maar niet alle landen kunnen netto exporteur zijn.

Schoenveters
Euroland heeft dus een fundamenteel probleem. U weet nu waarom we overal op moeten bezuinigen. We hebben onze schoenen strak met de veters aan elkaar vastgebonden – en dan vragen we ons af waarom we zo langzaam vooruitkomen! Ook de EMU-normen van maximaal 3% begrotingstekort en 60% staatsschuld (als percentage van het Bruto Binnenlands Product) zijn economische waanzin.

Oplossing
Valt dit nog op te lossen? Een economisch eenvoudige, maar politiek lastige kwestie. Consequent is het vormen van een soort Verenigde Staten van Europa. Maar we moeten ons hart vasthouden voor het democratisch gehalte daarvan. Niet ondenkbaar is het totale uiteenvallen van de Unie en de terugkeer van de nationale munten. Mogelijk met chaos op de korte termijn, maar op de lange termijn keert de rust weer en kunnen de lidstaten hun eigen monetair beleid voeren, zonder de terreur van ‘de financiële markten’.

Het is daarnaast niet onmogelijk om de eurolanden hun relatieve onafhankelijkheid te laten behouden, zonder dat de eurozone uiteenspat. Daartoe moet de Europese Centrale Bank worden getemd en onder democratisch bestuur komen. Gebaseerd op bijv. een verdeling per aantal inwoners kan de ECB zo gedwongen worden om het geld te scheppen dat elk land nodig heeft om een fatsoenlijk begrotingstekort te voeren. Zodat het kan investeren in onderwijs, infrastructuur, energie, milieu, de gezondheidszorg, en de werkgelegenheid – zonder dat we de slaaf zijn van de speculanten.

Kennis is macht
Op de huidige weg doormodderen is het beste recept voor armoede en massawerkloosheid. Dat is nergens voor nodig: de EMU fiksen – het kan. Maar dat gebeurt alleen als onder de bevolking van Euroland een besef gaat groeien van de aard van het probleem. Als u dit heeft uitgelezen bent u, hoop ik, een bijgeloof armer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s