Productiviteit, armoede, en het wonder van de gestapelde rente

Door Michael Hudson

Stel je voor dat je leeft in 1945, en dat je te horen krijgt wat voor nieuwe technologie tussen dat jaar en nu allemaal zal worden uitgevonden: computers, het internet, mobiele telefoons en andere consumentenelektronica, snellere en goedkopere luchtvaart, hogesnelheidstreinen en zelfs het verkennen van de ruimte, zuiniger auto’s, plastics, medische doorbraken en de wetenschap in het algemeen. Je zou je hebben ingebeeld wat zo ongeveer alle futuristen hadden verwacht: dat we rond deze tijd een leven van ontspannen welvaart zouden leiden. Stijgende productiviteit zou leiden tot hogere lonen en een hogere levensstandaard, zodat mensen minder uren konden werken, onder meer ontspannen, minder gestreste arbeidsomstandigheden.

Waarom is dat in de afgelopen jaren niet gebeurd? Hoe komt het, in het licht van de enorme productiviteitsgroei sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog – en met name sinds 1980 – dat niet iedereen rijk is en de beloofde ontspannen welvaartseconomie kan genieten? Als “de 99%” de vruchten van de hogere productiviteit niet plukken, wie dan wel? Waar is het gebleven?

Onder het stalinisme ging het overschot naar de staat, die het gebruikte voor het verhogen van investeringen in tastbaar kapitaal – fabrieken, energievoortbrenging, transport en andere basisindustrie en infrastructuur. Maar waar is het gebleven onder het financieel kapitalisme van tegenwoordig? Er is een hoop in de industrie gaan zitten, in de bouw en in de infrastructuur, zoals dat in elke politieke economie zou zijn gebeurd. Een hoop is ook opgegaan aan militaire uitgaven, luxeproductie voor de rijken, en investeringen in het buitenland. Maar het grootste deel van de opbrengsten is naar de financiële sector gegaan – hogere leningen voor onroerend goed en voor de aankoop van aandelen en obligaties.

Leningen moeten worden terugbetaald en over aandelen en obligaties worden dividend en rente ontvangen. Voor de economie als geheel werken mensen langer, puur om hun levensstandaard op peil te houden, die permanent onder druk staat. Vrouwen zijn de afgelopen halve eeuw in groten getale toegetreden tot de arbeidsmarkt. Zeker heeft dit de status van vrouwen verhoogd. Mechanisatie van huishoudelijk werk heeft hen bevrijd om buiten de deur een loopbaan te kunnen bewandelen. Maar in de balans is het werk alleen maar toegenomen.

Ook toegenomen is schuld. Toen de Tweede Wereldoorlog aan een eind kwam, maakten John Maynard Keynes en andere economen zich er zorgen over dat met het rijker worden van de samenleving mensen meer zouden gaan sparen. Wat hen betreft ging het erom de vraag in de markt hoog genoeg te houden, zodat alle productie die werd voortgebracht ook daadwerkelijk gekocht kon worden.

In veel landen zijn markten tegenwoordig inderdaad aan het krimpen. Maar dat komt niet doordat men uit welvaart aan het sparen geslagen is. De toename onder de noemer “spaargelden” in de Amerikaanse nationale inkomens- en productrekening (NIPA) van de afgelopen jaren werd veroorzaakt door het afbetalen van schulden. Het is de ontkenning van een ontkenning – en daarmee een statistische “plus”.

Het afbetalen van een schuld is niet hetzelfde als het opbouwen van liquide spaargelden op de bank. Er zijn maar een handvol economen die zich er in de afgelopen eeuw zorgen over hebben gemaakt: het vooruitzicht van schulden die sneller toenemen dan inkomens, resulterend in financiële ineenstortingen waarbij eigendom van de handen van debiteuren overgaat in die van crediteuren. Met als effect een polarisatie van de samenleving tussen (zoals de Occupy-beweging het noemt) de 1% en de 99%.

Wat vijftig jaar geleden ook algemeen werd verwacht – en dat bleef zo tot ongeveer 1980 – was dat overheden in toenemende mate een belangrijke economische rol zouden spelen, niet alleen als vooruitziende planners maar ook als directe investeerders in infrastructuur. Voor Keynesianen dienen overheidsbestedingen ervoor om geld in de economie te pompen, waarmee vraag en werkgelegenheid tijdens een neergang van de economische cyclus worden gehandhaafd. Eeuwenlang hebben overheden basale bestedingen in de infrastructuur op zich genomen, zodat private eigenaars geen gebruik konden maken van hun monopolistische privileges om economische tol te heffen.

Bijna alle economische denkers verwachtten dat de vruchten van de techniek door iedereen geplukt zouden worden, niet dat ze slechts ten goede zouden komen aan de top, de bankiers van wie de financiële machinaties geen directe technologische rol speelden in het productieproces. De economische leerboeken beschrijven (lees: veronderstellen) dat stijgende productiviteit aan de arbeiders wordt doorgegeven in de vorm van dalende prijzen (wanneer door dalende productiekosten met hetzelfde loon meer gekocht kan worden) of, als de prijzen niet dalen, hogere lonen.

Volgende de economische leerboeken bestaat er een kringloop tussen producenten en consumenten: de “Wet van Say” genaamd. Werknemers moeten in staat zijn om wat ze produceren ook te consumeren. Deze correlatie tussen productie en consumptie gaat terug op de Physiocrates, van vóór de Franse revolutie, door wie de economische wetenschap en het balansboekhouden werd ontwikkeld. De stichter ervan, François Quesnay, was arts en chirurg. Hij creëerde de basis van de nationale inkomensbalans naar analogie van de kringloop van het bloed in het lichaam. Een toename van de productie moest zijn tegenhanger vinden in een toegenomen consumptie, waarvoor een markt zou worden gecreëerd door het betalen van werknemers, die hun loon dan besteedden aan wat ze produceerden.

Harder werken, meer produceren, maar je in de schulden steken om het te kunnen kopen

Na de Tweede Wereldoorlog bleven veel vrouwen thuis en voedden hun kinderen op. Maar sinds de jaren 1950 zijn ze in toenemende mate gedwongen de arbeidsmarkt op te gaan – de “tweeverdieners”. Tegenwoordig kunnen die tweeverdieners samen wel drie banen hebben. Als je de mate van arbeidsparticipatie doortrekt zal elke vrouw tegen het jaar 2020 achttien uur per dag moeten werken om de economische trend niet te laten keren.

Wat ooit enthousiast begroet werd als “post-industriële economie” blijkt nu een gefinancialiseerde economie te zijn. De reden dat je zoveel harder moet werken dan voorheen, zelfs als lonen nog mochten stijgen, is het betalen van rente en aflossing over je schuldenlast. Je kunt wat je produceert niet meer kopen omdat je je bankiers moet betalen. En de enige manier om je levensstandaard nog wat op peil te houden is om nog meer te lenen. De komende jaren moet je daarmee alleen nog maar meer gaan terugbetalen. Dat is, in een notendop, het plan van de Eurozone voor haar economische toekomst. Een financieel plan, waarin industrieel kapitalisme wordt vervangen door financieel kapitalisme.

De basis onder het industrieel kapitalisme was toenemende productie en zich uitbreidende markten. Er werd vanuit gegaan dat industriëlen hun winst gebruikten om meer fabrieken te bouwen, meer machines te kopen en meer arbeid aan te trekken. Onder het financieel kapitalisme gebeurt iets anders. Banken gebruiken wat ze aan rente, andere vergoedingen en boetes ontvangen (en met die boetes verdienen ze tegenwoordig net zo veel als met rente) om er nieuwe leningen mee te creëren.

Het probleem is dat inkomen dat gebruikt wordt om schulden mee af te betalen, niet tegelijkertijd kan worden gebruikt om de goederen en diensten te kopen die arbeid voortbrengt. Hoe kunnen producenten dan hun spullen afzetten als lonen en de levensstandaard niet toenemen – tenzij ze nieuwe markten vinden in het buitenland? Wat er verdiend is, wordt afgeroomd door de financiële sector. De financiële dynamiek resulteert uiteindelijk in krimp en bezuinigingsronden.

Over de beeldspraak rond bezuinigingen gesproken: het is niet “het vet” dat wordt weggesneden. Het vet is de financiële sector. Weggesneden wordt het bot: de productieve sector. Als auteurs het dus hebben over een door de banken geleide post-industriële economie, dan impliceren ze deïndustrialisatie. En dat betekent werkloosheid en lagere lonen.

Financiële dynamiek en industriële dynamiek

De opeenstapeling van betalingen over rentedragende schuld leidt ertoe dat financiële instellingen op zoek gaan naar nieuwe markten om leningen te verstrekken, net zoals industriëlen naar nieuwe markten zoeken voor hun groeiende productie. In het geval van banken betekent dit een zoektocht naar bezittingen die voor die leningen in onderpand kunnen worden gegeven. De grootste vorm van bezit, in elke economie, is onroerend goed – vooral de waarde van het stuk grond waar het op staat. Zo’n 80 procent van bancaire leningen zijn dus hypotheken. Maar tegen 1980 waren de prijzen van onroerend goed gedaald, met het stijgen van de rentepercentages tijdens de oorlog in Vietnam, en meer in het algemeen de wereldwijde bewapening in de Koude Oorlog. Door de overzeese militaire uitgaven was de Federal Reserve (de Amerikaanse centrale bank) gedwongen de rente te verhogen om van het buitenland te kunnen lenen – om te voorkomen dat de wisselkoers van de dollar zou inzakken.

Zo vonden banken in de jaren 1980 een nieuwe markt. Agressieve investeerders behandelden bedrijven net zo als onroerend goed: kopen op krediet en dan bestuurd met als doel verkoop en het behalen van snelle kapitaalwinst. Door de stijging van de rente, tegen 1980, tot 20% zagen de meeste staten van de VS zich gedwongen hun wetgeving gericht tegen woekerrente te herroepen. Creditcardbedrijven speelden staten tegen elkaar uit met als gevolg een negatieve spiraal wat betreft de bescherming van de rechten van consumenten. Zo ontstond de zgn. junk bond met hoge rente, met name uitgevonden door de club rond Michael Milken, werkzaam bij Drexel Burnham.

Het Amerikaanse bedrijfsleven werd gefinancialiseerd (en tegelijkertijd werd het crimineel). Maar er is een verschil tussen het besturen van een bedrijf met als doel het behalen van puur financiële winst, en het besturen van een industriële firma met als doel het uitbreiden van de productie. Bedrijfsinkomsten die niet werden betaald aan bankiers en obligatiehouders voor het krediet om aandeelhouders uit te kunnen kopen, werden gebruikt voor andere doeleinden dan directe kapitaalinvesteringen (zoals een gezond, op de productie van goederen en diensten gericht bedrijf het zou gebruiken). Ze werden vooral gebruikt voor het terugkopen van aandelen om de koers te laten stijgen, en voor fusies en acquisities om nog meer bedrijven in handen te krijgen.

Het doel was niet het verhogen van de productie, maar het verhogen van vermogen op de balans, tegelijk met het uitmelken van de omzet van bedrijven, net zoals een pandeigenaar een gebouw uitmelkt. Dat is het tijdsbestek waarin financieel kapitaal denkt: op de korte termijn, niet op de lange termijn. Daarom is het extractief – het onttrekt waarde aan het bedrijf – in plaats van productief. De omzet gaat niet samen met nieuwe directe investeringen in de productie, maar wel met een onnodige schuldenlast, waardoor een stijgende stroom aan rente wordt onttrokken aan de economie.

Het creëren van rijkdom door schuld als hefboom te gebruiken (debt leveraging), dat wil zeggen, de inflatie van de prijs van vermogen, werd gevierd als een “postindustriële economie,” alsof het een positieve, natuurlijke ontwikkeling was. In werkelijkheid is het echter een stap terug naar een economie van uitbuiting (door de klasse van de renteniers, the rentier class, in het economisch jargon). We kunnen zelfs spreken van een soort neofeodaal stelsel. De reddingen van de banken na 2008 hebben een nieuwe elite van rentiers in het zadel geholpen om te kunnen heersen over de 21ste eeuw, dankzij het feit dat de meeste economische winst sinds 1980 is gegaan naar de rijkste 1% van de bevolking, vooral de financiële sector – en niet de 99%.

Uiteindelijk is het gevolg dat de economie krimpt. Dat betekent dat steeds meer leningen spaak lopen, totdat een crisisniveau wordt bereikt waarbij leningverstrekkers beseffen dat er niets meer te halen valt, en ze stoppen met uitlenen. Maar als de overheid niet bereid is het tekort te laten oplopen, zijn bancaire leningen het enige dat de vraag nog kan ondersteunen. Met als gevolg dat het financiële tapijt vanonder de economie wordt weggetrokken. Op dat moment zullen banken eisen dat ze worden gered, waarbij zij het geld krijgen in plaats van dat in de economie zelf de fondsen worden geïnjecteerd, waarmee ze weer kan gaan besteden en zichzelf uit de depressie kan trekken. De overheidsschuld neemt toe door het geven van cadeaus aan de banken, niet door bestedingen in de reële economie.

Economische leerboeken geven les in vraag- en aanbodcurven. Elke marginale toename aan aanbod verlaagt de prijs van het gebodene. Voor de arbeidsmarkt betekent dit dat hoe hoger het werkloosheidscijfer is, des te dieper de lonen zullen zakken. Omgekeerd moet je met het inhuren van meer werknemers, ze meer betalen om ze aan te trekken. Overheidsfunctionarissen en bankiers zijn in deze teksten geïndoctrineerd en hun conclusie is: hoe minder werkgelegenheid er is, hoe meer lonen zullen zakken. Daarbij wordt verondersteld dat een hogere winstmarge overblijft, omdat de producten nog steeds tegen een stabiele prijs zouden kunnen worden verkocht. Werkgevers proberen dus meer te verdienen door de werkgelegenheid laag genoeg te houden om te voorkomen dat lonen zouden stijgen. De macht van het kapitaal over arbeid wordt zo maximaal.

De conclusie van economen is dat, om economieën concurrender te maken, lonen zodanig laag moeten zijn dat ze onder de prijs van andere landen kunnen duiken. Zo ontwikkelt zich een negatieve spiraal richting steeds lagere lonen (een race to the bottom). Maar wat ogenschijnlijk goed is voor de concurrentiepositie van landen, schaadt feitelijk hun binnenlandse markt.

In de negentiende eeuw werd dit het reserveleger van de werklozen genoemd. Werkloosheid houdt de arbeiders eronder. Belangrijker nog, voor zover inkomens wel stijgen, worden ze weer uitbetaald als betaling van rente en aflossing. Er ontstaat een dynamiek waarbij de arbeid eronder wordt gehouden door schuld – niet alleen doordat lonen worden opgeteerd door schulden, maar vooral door werknemers te straffen met scherpe stijgingen in rentepercentages, of zelfs met het verlies van hun huis, mochten ze een betaling missen door te gaan staken of door ontslagen te worden. Voormalig Federal Reserve-voorzitter Alan Greenspan legde uit dat werkloosheid tegenwoordig niet meer nodig is om arbeid eronder te houden. Je hoeft ze alleen maar te traumatiseren en ze politiek te ontwapenen door de hefboom van schuld.

Dat is de reden waarom ondanks het feit dat de productiviteit zo dramatisch is gestegen, de reële economie en het niveau van de lonen zijn afgegleden in een S-curve. De magie van de gestapelde rente heeft de schuld (en daarmee de spaargelden van de rijkste 1%) zodanig verhoogd dat de productiviteitsstijging meer dan geabsorbeerd werd. Deze financiële wildgroei is ten goede gekomen aan de rijkste 1%, niet aan de rest van de bevolking.

De financiële sector is dus wat de huidige economie anders maakt dan de economie van 1945. We bevinden ons aan het einde van een lange cyclus. In 1945 was in alle landen de private sector relatief schuldenvrij. Er viel in de oorlogsjaren voor consumenten weinig te kopen aan niet-militaire productie. Bedrijven hadden, behalve voor de militaire vraag van de overheid, weinig reden om te investeren. De meeste gezinnen hadden dus weinig schuld, veel spaargeld, en goede kansen op een baan bij het aanbreken van de vrede. Maar de economie van nu is hieraan omgekeerd. Spaargelden zijn opgedroogd en consumenten, onroerend goed en het bedrijfsleven zitten diep in de schulden.

Het perverse effect van het niet langer belasten van de winst uit economische extractie door bezit van land en monopolies

Om deze omkering tegen te gaan is een goed begrip van de oorzaken ervan noodzakelijk. Die oorzaken zijn niet alleen financieel maar ook belastingtechnisch van aard. Banken hebben genoeg macht vergaard om het belastingbeleid te verstoren: de grootste klanten van de banken – onroerend goed en de monopolisten – zijn van belastingen bevrijd geraakt, ten nadele van arbeid en de consument. In de Verenigde Staten kwam in de jaren 1930 tweederde van de belastinginkomsten van staten en gemeenten uit de onroerendgoedbelasting. Tegenwoordig is dat nog maar een zesde. Staten en steden vervingen de onroerendgoedbelasting door inkomstenbelasting en omzetbelasting, en Europa en de post-Sovjeteconomieën hebben een belasting ingevoerd die het meest anti-arbeid is van allemaal: de belasting toegevoegde waarde (BTW).

De redenering erachter is dat het makkelijk te innen is. Maar het gaat ten koste van consumenten, niet ten koste van de free lunch van de economische renteniers, zoals dat werd bepleit door de klassieke vrijemarkteconomen. De belasting toegevoegde waarde (BTW) verhoogt consumentenprijzen en verkleint de markt, zodat de arbeid (in macro-economische zin) niet in staat is te kopen wat ze produceert. De BTW draagt eraan bij dat het rentenieren op land, natuurlijk hulpbronnen en monopolies van belasting kan worden bevrijd, zodat de winst daaruit aan bankiers kan worden betaald in de vorm van rente. Wat naar de belastingdienst zou zijn gegaan, gaat nu naar de banken.

Als kiezers politici dreigen te gaan kiezen die minder bankvriendelijk beleid voorstaan, kondigt de EU aan dat het land een technocraat nodig heeft, die hogere belastingen moet gaan heffen om de banken te gaan redden van hun eigen misgelopen leningen. Zonder het systeem te veranderen is dat allemaal zinloos, want het financiële plan kan slechts voor korte tijd werken. Het is extractief, niet productief, en het laat een spoor van faillissementen achter zich. Desondanks redden de technocraten de banken in plaats van arbeid en industrie, de werkgelegenheid in de reële economie, sociale uitgaven en de publieke sector.

De sociale zekerheid omgevormd: van progressieve belasting naar een regressieve belasting op arbeid

In 1982 werd Alan Greenspan, destijds lobbyist voor de banken, benoemd als hoofd van een commissie die het Amerikaanse sociale zekerheidsstelsel weg moest halen uit het algemeen budget. Daarin werd het gefinancierd uit progressieve belastingen, maar het zou dan voortaan gefinancierd moeten worden uit bijdragen van werknemers en werkgevers. Het idee was het stelsel, à la Chili, te privatiseren. De droom van Wall Street is namelijk dat premies die uit de lonen opzij worden gezet, worden overgedragen aan vermogensbeheerders die er aandelen mee kopen en zo een aandelenzeepbel creëren. Daarbij romen ze uiteindelijk zelf commissies af, en manoeuvreren ze hun klanten die bijdragen in de fondsen storten, tot het gokken met grote risico’s. Daarbij zijn het de grote financiële instellingen zelf die altijd winnen – in de stijl van Goldman Sachs, dat altijd meer weet dan z’n klanten. Het kwam erop neer dat Greenspan vond dat de sociale zekerheid geen publieke dienst behoorde te zijn. Er moest per gebruiker voor betaald worden. Wie van plan was ooit met pensioen te gaan diende vooruit te betalen. De spaargelden zouden aan de regering worden geleend, die zo het ministerie van financiën in staat kon stellen de belastingen op de hogere inkomens en vermogensniveaus te verlagen. Met als effect dat de langetermijntrend van progressieve belastingen werd omgekeerd.

De andere kant van de medaille van Greenspans belastingverhogingen (op arbeid, maar niet op de veelverdieners) was dat er een overschot op de begroting van de Social Security Administration ontstond, de overheidsinstelling die de uitkeringen van de sociale zekerheid regelt. De overheid kon hiermee de belastingen op onroerend goed, op de financiële sector, en op de rijken in het algemeen, verlagen. Met name belastingen op winst uit kapitaal werden gehalveerd. En aan investeerders in onroerend goed (niet de huiseigenaren die in hun eigen huis woonden) werd toegestaan om te doen alsof de waarde van hun bezit afnam in plaats van juist in prijs steeg – met pseudoboekhouding, gebaseerd op economische pseudowetenschap.

Het doek viel toen de regeringen Bush en Obama feitelijk aankondigden, “We zijn blut. Nu moeten we de begroting op orde brengen door in de sociale uitgaven te snijgen en de belastingen op de sociale zekerheid nog verder te verhogen. We hebben de belastingen op de rijken zover verlaagd dat de werknemers niet genoeg hebben bijgedragen om het cadeau aan de financiële sector te kunnen dekken. Laat staan dat we de oorlogen van Bush en Cheney in Irak en die van Obama in Afghanistan er nog mee kunnen voeren. Of de nieuwe klassenstrijd tegen de arbeiders.”

Pensioenfondskapitalisme houdt in dat werknemers worden aangemoedigd zichzelf te gaan beschouwen als een soort kapitalisten in miniatuur. Zo kunnen ze voor hun eigen pensionering zorgen door als werknemer met aandelen mede-eigenaar te worden van het bedrijf, in plaats van dat ze hun eigen lonen opsparen of dat pensioenen worden bekostigd uit de algemene middelen in de toekomst. Het idee is dat je geld verdient met geld (M – M’) in plaats van met de productie van goederen (M – G – M’). In de VS is de helft van de zogeheten Aandelenbezitprogramma’s voor Werknemers (Employee Stock Ownership Programs, of ESOPs) op de fles gegaan, vooral door geplunderd te worden door de werkgevers. Roofridders die bedrijven op het oog hebben (corporate raiders) nemen kredieten bij banken en obligatieinvesteerders om bedrijfsovernamen te financieren. Het plan is het uitkopen van aandeelhouders, waarbij ze de financiers beloven de winst uit te keren als rente – en niet alleen de winst, want ze plunderen ook de pensioenkassen. Voor het beschrijven van dit proces ontving George Akerlof de 20ste Nobelprijs voor de Economie. Maar romanschrijvers hebben dit beter ingezien dan economen. Balzac schreef dat achter ieder familiefortuin een grote diefstal schuilging, vaak één die al lang vergeten was.

De huidige economie is onder het eufemisme van het “vrije ondernemerschap” gebaseerd op diefstal. Het word soms “socialisme voor de rijken” genoemd omdat die de meeste overheidssubsidie ontvangen. Maar het is niet het soort socialisme waar mensen het honderd jaar geleden over hadden – eerder een slechte karikatuur van sociaaldemocratie en socialisme. Met één woord, oligarchie. De wereld waar we in leven is Orwelliaans. Er is geen politieke partij meer die zich nog fascistisch noemt, of zelfs maar anti-arbeid. Ze noemen zich sociaaldemocraten. Maar het is het tegenovergestelde van wat met sociaaldemocratie werd bedoeld aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.

De sociale zekerheid is in de VS nog niet geprivatiseerd, maar het onderwijs is zowel geprivatiseerd als gefinancialiseerd. Studenten kunnen niet meer rekenen op gratis of laaggeprijsd onderwijs. Als ze in aanmerking willen komen voor een echte baan moeten ze leningen aangaan die ze diep in de schulden stoppen. Als ze vervolgens een gezin willen stichten moeten ze dertig jaar tot levenslang een hypotheekschuld aangaan. Ze moeten een autolening afsluiten om met de auto naar hun werk te kunnen, vooral daar waar het openbaar vervoer, zoals in Los Angeles, is ontmanteld. En als hun loonstrook nog verder wordt uitgeknepen kunnen ze hun levensstandaard alleen nog overeind houden door met een creditcard nieuwe schulden aan te gaan.

Het betalen van alle kosten die aan die schulden kleven zorgt ervoor dat er minder kan worden uitgegeven aan de goederen en diensten die werknemers voortbrengen. Het resultaat is schulddeflatie. In steeds mindere mate zijn werknemers in staat om, macro-economisch gezien, te kopen wat ze zelf produceren – tenzij ze nog meer schuld aangaan. Dat is de reden waarom banken en obligatiehouders degenen zijn die de winst uit de productiviteitsstijging hebben opgestreken – dit zijn de rijkste 1% van de bevolking, de kern van de financiële sector, de verzekeraars en de onroerend goed-sector. Zij absorberen het grootste deel van het economisch surplus, en wel in de vorm van de verschillende soorten van economisch rentenieren (economic rent): grond, natuurlijke hulpbronnen, monopolistische privileges en financiële overhead.

De klassieke vrije markt-hervorming verandert in haar absolute tegendeel

De klassieke politieke economie streefde ernaar dat de democratisch gekozen overheid gemobiliseerd zou worden om de renteniers te belasten: landeigenaars en pandeigenaars, monopolisten en bankiers. Het was de bedoeling dat er een industrieel surplus zou worden gecreëerd, waarbij tegelijkertijd de productiviteit, de lonen, en de levensstandaard zouden stijgen. Om prijzen laag te houden en zo de nationale economieën concurrerend te kunnen laten blijven, moest de overheid de grootste uitgaven in de maatschappij op zich nemen: basale infrastructuur als transport, energietoevoer en communicatie, die toevallig ook nog eens natuurlijke monopolies zijn. Het doel was niet alleen dat gratis of met subsidie voor de basale infrastructuur zou worden gezorgd, maar ook dat werd voorkomen dat privé-eigenaars hun eigen tolpoorten op de weg zouden kunnen zetten, of monopolistische prijzen zouden kunnen vragen voor energie of telefoonsystemen (zoals Telmex in Mexico, of vergelijkbare monopolisten in de dieveneconomieën van na de ineenstorting van de Sovjetunie).

De economische wetenschap van na de klassieke politieke economie (met het bedrieglijke eufemisme van “neoklassieke economie”) streeft er juist naar de renteniersklasse van belastingen te bevrijden. De kosten van de overheid moeten door arbeid worden gedragen, en zelfs door de industrie, d.w.z. het productieve bedrijfsleven. Om dit te bereiken wordt de democratie ten gunste van de oligarchie teruggedrongen. Deze keer wordt die oligarchie echter niet gevormd door landeigenaars, zoals de Europese aristocratische grootgrondbezitters, maar door bankiers en andere financiers. Hun doel is het privatiseren van het publieke domein en de bijbehorende monopolies. Bankiers scheppen de kredieten aan de kopers, die dan letterlijke en minder letterlijke tolpoorten neerzetten en de prijzen voor basale behoeften verhogen. Hun omzet betalen ze, als rente, belastingvrij uit, en zo houden ze hun inkomsten uit de handen van overheden. Daarmee dwingen ze de nationale schatkist belastingen te heffen op arbeid en industrie, consumenten en producenten, in plaats van op de financiële sector, de verzekeraars, en onroerend goed. Overheden worden zo de beschermheren van monopolies en de manier waarop ze worden gefinancierd.

Het is echter korte termijn-beleid. Met het verhogen van het binnenlandse prijsniveau prijzen economieën die op deze manier gefinancialiseerd zijn, zich uit de wereldmarkt, tenzij ze een wereldorde kunnen vormgeven waarin alle economieën gelijkmatig zuchten onder de schulden. Op dat punt betreden het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie het toneel, voor het financialiseren van de globalisering, waarbij landen als paria’s worden weggezet als ze niet deelnemen aan dit zelf-destructieve en tot economische zelfmoord leidende systeem.

Een erg leerzaam voorbeeld van zo’n verschuiving van de klassieke democratie naar een post-klassieke oligarchie is dat van een land dat de mensheid steeds als een groot succesverhaal wordt voorgehouden: Letland. Daar hadden de neoliberalen net als in Rusland volledig de vrije hand. Wat ze een neoliberaal paradijs noemen blijkt in de praktijk een dieveneconomie, bedolven onder de schulden. Het land kent een vlaktaks op werkgelegenheid van 59 procent, en een belasting op onroerend goed van slechts 1 (één) procent.

Het is niet moeilijk voorstelbaar wat zo’n lage onroerendgoedbelasting en zo’n hoge loonbelasting kan aanrichten. Mensen aannemen was erg duur, maar er was wel een onroerend goed-zeepbel. Toen ik hoofd Onderzoek was aan een rechtenfaculteit in Riga, bracht ik een bezoek aan de overheidsinstelling die gaat over het schatten van het onroerend goed, met de vraag hoe ze waren gekomen op die 1%. Het antwoord luidde dat ze dit hadden gebaseerd op de recentste waardering van onroerend goed waarover ze de beschikking hadden. Dit bleek uit 1917 te komen, nog van voor de Russische revolutie (de hoofdschatter had haar proefschrift erover geschreven). Wat de belastingdienst laat liggen en niet int in de vorm van belastingen, is nu beschikbaar om in de vorm van rente aan de banken te worden betaald. Huizenprijzen worden zo opgedreven – op krediet – terwijl de belastingontvanger zich moet wenden tot arbeid en industrie, de productieve sector, om te kunnen innen wat niet meer wordt geïnd van onroerend goed, een niet-productieve sector. In plaats van belastingen betalen nieuwe huizenkopers rente aan de bankiers. Vroeger waren het de aristocratische grondbezitters die de winst uit dit rentenieren opstreken, nu gaat het naar de banken. Zo vormen bankiers de nieuwe aristocratie.

Toen ik in 2010 aan het hoofd stond van een internationaal economisch onderzoeksteam, bezochten we het verzekeringsagentschap voor de banken in Letland. Ons werd verteld dat zij het klappen van de zeepbel hadden zien aankomen. De reactie bestond eruit dat ze banken voortaan gingen adviseren om hun hypotheekleningen niet alleen te laten steunen op de woning als onderpand zelf, maar ook om zoveel mogelijk familieleden de lening mede te laten ondertekenen. Op die manier konden bij het niet betalen van de rente ook ouders, broers en zussen en andere familieleden aansprakelijk worden gesteld.

De toezichthouders op de banken hadden de overheid niet geadviseerd om onroerend goed hoger te belasten. Dat zou huiseigenaren meer hebben uitgeknepen bovenop hun leningen bij de bank. En er zou minder inkomen uit de verhuur beschikbaar komen om omgezet te kunnen worden in nieuwe bankleningen. De overheid zou daarentegen de zware belastingen op arbeid terug kunnen brengen. Dat was niet de zorg van de toezichthouders. De bankiers zelf beschouwden hun hoofdtaak als kredieten verstrekken voor het opstuwen van onroerend goed, niet voor productieve investeringen in het bedrijfsleven. Daarvan getuigt wat de neoliberalen in de economie van Letland hebben aangericht, en ook in de andere Baltische staten, Estland en Litouwen.

Oneerlijk, economisch polariserend en destructief beleid? Uiteraard, maar de verzekeraars van de banken hebben gezegd dat hun taak bestond uit het beschermen van de solvabiliteit van de banken, niet uit het scheppen van optimale economische structuren. Eén van de resultaten is dat volgens een recent onderzoek van de EU een derde van de Letse bevolking tussen 20 en 35 was geëmigreerd of van plan was dat te doen. In 2012 bleek de bevolking de afgelopen tijd met 15 procent te zijn afgenomen. Er wordt minder getrouwd en er zijn minder geboorten, zoals in alle post-Sovjet-economieën. Wie kan trouwen en een huis kopen als je loon tegen 59% wordt belast en je je in de schulden moet steken?

Een ander leerzaam voorbeeld is IJsland. Nog meer dan Letland werd het een paradijs voor de schurkenbankiers en de aasgierbanken. Hun leningen zijn geïndexeerd aan de consumentenprijsindex. In de praktijk betekent dat: geïndexeerd aan de wisselkoers met vreemde valuta. De IJslandse krónur zakte ineen toen in 2008 de banken onderuit gingen. Een schuld van 1000 krónur is misschien wel een schuld van 1800 geworden, terwijl het onderpand, van het equivalent van 1000 kronen, misschien wel tot zo’n 400 is gezakt. Veel gezinnen zitten zo met een negatief vermogen (negative equity) en zijn persoonlijk aansprakelijk.

Toen de IJslandse schurkenbanken ten onder gingen (en pas onlangs zijn enkele van de gangsters eindelijk aangehouden) werden ze door de overheid overgenomen en op advies van Europa aan aasgierinvesteerders verkocht, tegen zo’n tien procent van de boekwaarde. Wat de IJslandse grondwet niet toestaat, deden de banken toch: het laten stijgen van de schulden door indexering. Als de overheid de zaak had overgenomen, had ze de schulden kunnen terugbrengen tot een betaalbaar niveau. Maar de nieuwe aasgierbanken hebben dat niet gedaan. De sociaaldemocratische regering ondersteunde daarbij de rechten van de banken om zoveel geld te verdienen als ze konden, in plaats van voorrang te geven aan het welzijn van het IJslandse volk.

Het verbazingwekkende is de mate waarin sociaaldemocratische en socialistische partijen naar de rechterkant van het politieke spectrum zijn opgeschoven. De sociaaldemocratische leiders van IJsland verklaarden dat ze deel wilden uitmaken van Europa. Bedoeld werd dat ze wilden optreden in het belang van Britse en Nederlandse bankiers, en niet op een democratische manier in het belang van de IJslanders. Ze traden op in het belang van de opkomende financiële oligarchie.

Sinds ik klein was heb ik veel van de sociaaldemocratische leiders van de VS en de wereld leren kennen. Mijn vader was een socialistische vakbondsleider en politiek gevangene uit Minneapolis. Daar kende de Amerikaanse strijd van de arbeiders een historisch hoogtepunt in de grote Algemene Staking van de jaren 1930. Leider van de Socialistische Partij Terence McCarthy vertelde me begin jaren 1960 dat de reis- en verblijfskosten van bijna alle leden van de Socialistische Internationale werden betaald door de CIA of haar dekmantelorganisaties. (Het gaat hier om de Tweede Internationale, waarvan de Griek Dimitri Papandreou nu de voorzitter is.) Ik was er getuige van hoe de Socialistische Partij in de VS de oorlog in Vietnam begon te steunen. Alle kritiek in het jongerentijdschrift op de Vietnam-oorlog werd door partijkopstuk Michael Harrington uitgebannen. Het leidde ertoe dat de meeste leden al snel wegliepen.

Harrington en diens mentor (Max Shachtman) namen dit standpunt in omdat ze geloofden dat het westen niet kon worden overtuigd van de zegeningen van het marxisme, zolang de wereld nog niet zou zijn bevrijd van de stalinistische karikatuur van het marxisme. Daarom steunde de Sociaaldemocratische Partij van Amerika de Koude Oorlog. De politiek werd op zijn kop gezet door de socialistische afkeer van het “stalinisme” en door het vermogen van de VS om Europese sociaaldemocraten te financieren, zodat ze de banken en de “centristen” gingen ondersteunen. De sociaaldemocratische leiders beeldden zich in (of: werden omgekocht om te doen alsof ze het geloofden) dat “vrije financiële markten” de wereld zouden leiden naar economische vooruitgang.

Dit was precies het tegenovergestelde van waar de Progressive Era naar streefde, en zelfs het tegenovergestelde van de belofte van het industrieel kapitalisme. De sociaaldemocratische partijen van IJsland, het Verenigde Koninkrijk, Griekenland, Scandinavië en andere Europese landen hebben zich allemaal op het standpunt gesteld dat bezuinigen de manier is om mensen weer aan het werk te krijgen. Begrotingen moeten naar verluid in evenwicht worden gebracht door lonen met 30 procent te verlagen en de belastingen te verschuiven van banken en financiers, verzekeraars en de onroerend goed-sector, naar de consumenten.

Belastingen op loon en arbeid verhogen de kosten van arbeid. De concurrentiekracht van een economie wordt dus op zijn hoogst, op het moment dat arbeid en consumptiegoederen van belasting worden ontheven, door de BTW (belasting toegevoegde waarde) af te schaffen. Maar niet alle belastingen zijn verkeerd. De klassieke vrijemarkteconomen waren voorstanders van het belasten van onverdiend inkomen: het innen van huur over, en het rentenieren met, land en natuurlijke hulpbronnen, en winst uit monopolies en financiële privileges. Deze inkomenscategorieën hebben geen evenknie in productiekosten van degenen die de huur, de tol, de royalties, de rente enzovoort (in het kort: economic rent) incasseren. Hoe meer overheden de belastingen kunnen afwentelen op land en onroerend goed, hoe lager de huizenprijzen zullen zijn – en des te minder overheden belasting hoeven te heffen over arbeid, door loonbelasting en omzetbelasting.

Bankiers verlenen steun aan de anti-overheidsideologie, omdat ze alle winst uit huur van onroerend goed, monopolies enzovoort, zelf willen innen in de vorm van rente. Zo wordt geld dat anders in de vorm van belastingen aan de overheid wordt betaald, dan als rente betaald aan de bankiers. Het resultaat – en dat is precies wat we nu in Europa en Noord-Amerika mogen aanschouwen – is een economische vorm van plundering. Op meer dan één manier lijkt die plundering op de plundering die aan de wieg stond van het Europese feodale stelsel in de vroege middeleeuwen. Maar deze keer is het een financiële, in plaats van een militaire plundertocht.

© Michael Hudson, 2012. Het Engels origineel van deze tekst is te vinden op: http://michael-hudson.com/2012/04/productivity-the-miracle-of-compound-interest-and-poverty/
Vertaling en bewerking: Herman Meester

One thought on “Productiviteit, armoede, en het wonder van de gestapelde rente

  1. Een heel treurig verhaal
    maar wel heel verhelderend,dacht al een tijdje dat de lobby isten van de vrijejongens het voor het zeggen hebben gekregen
    en in alle politieke partijen zijn doorgedrongen
    Zie de import van oostblokkers als loondrukkers, en net als in de 80 er jaren de Marokkanen onder het mom van de Hollanders willen het vieze werk niet meer doen
    Wordt tijd voor een revolutie ,maakt niet uit extreem links of rechts
    Als dit zooitje maar oprot
    Is al te lang bezig
    Niemand heeft hiervoor gekozen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s